Wat zegt Jezus over de hel?

Een overzicht van een aantal belangrijke uitspraken van Jezus over de hel. Soms op een directe manier, andere keren op een indirecte, omschrijvende manier. Dit is een selectie uit het volledige overzicht.

Jezus sprak over de hel meer dan wie dan ook in de Bijbel en gaf ons daarbij voldoende informatie alsmede specifieke waarschuwingen over de gevaren van de hel.

De hieronder weergegeven Bijbelverzen zijn genomen uit de Herziene Statenvertaling (HSV), omdat die dichter bij de huidige Nederlandse taal staat dan de Statenvertaling (SV) van 1637 en toch zoveel mogelijk probeert recht te doen aan die oor­spron­ke­lijke Statenvertaling qua inhoud. Op sommige plaatsen heb ik echter voor de dui­de­lijk­heid ook een passage uit de Statenvertaling (SV) toegevoegd.

Deze bijbelteksten zijn allen uit de Herziene Statenvertaling (HSV) overgenomen. Soms wordt ook gerefereerd aan wat teksten uit de oudere Statenvertaling (SV).

Lukas 16:19-31 · De rijke man en de arme Lazarus

19. Nu was er een zeker rijk mens, die gekleed ging in purper en zeer fijn linnen en die elke dag vrolijk en overdadig leefde.
20. En er was een zekere bedelaar, van wie de naam Lazarus was, die voor zijn poort neergelegd was, en die onder de zweren zat.
21. En hij verlangde ernaar verzadigd te worden met de kruimeltjes die van de tafel van de rijke man vielen; maar ook de honden kwamen en likten zijn zweren.

22 t/m 31 …

22. Het gebeurde nu dat de bedelaar stierf en door de engelen in de schoot van Abraham gedragen werd.
23. En ook de rijke man stierf en werd begraven. En toen hij in de hel zijn ogen opsloeg, waar hij in pijn verkeerde, zag hij Abraham van ver en Lazarus in zijn schoot.
24. En hij riep en zei: Vader Abraham, ontferm u over mij en stuur Lazarus naar mij toe en laat hem de top van zijn vinger in het water dopen en mijn tong verkoelen, [a] want ik lijd vreselijk pijn in deze vlam.
25. Abraham echter zei: [b] Kind, herinner u dat u het goede deel ontvangen hebt in uw leven en Lazarus evenzo het kwade. En nu wordt hij vertroost en u lijdt pijn.
26. En bovendien is er tussen ons en u een grote kloof aangebracht, zodat zij die van hier naar u zouden willen gaan, dat niet kunnen en ook zij niet die vandaar naar ons zouden willen gaan.
27. En hij zei: Ik vraag u dan, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt,
28. want ik heb vijf broers. Laat hij dan tegenover hen getuigenis afleggen, opdat ook zij niet komen in deze plaats van pijniging.
29. Abraham zei tegen hem: [c] Zij hebben Mozes en de profeten. Laten zij naar hen luisteren.
30. Hij echter zei: Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe zou gaan, zouden zij zich bekeren.
31. Maar Abraham zei tegen hem: Als zij niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen zij zich ook niet laten overtuigen, als iemand uit de doden zou opstaan.

a) Jesaja 66:24; Markus 9:44
b) Job 21:13
c) Jesaja 8:20; 34:16; Johannes 5:39; Handelingen 17:11

Mattheüs 5:21-22 · Omdat we iemand een dwaas noemen

21. U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht [a] gezegd is: [b] U zult niet doden; en: Wie doodt, zal door de rechtbank schuldig bevonden worden.
22. Maar Ik zeg u: Al wie ten onrechte boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank. En al wie tegen zijn broeder zegt: [c] Raka! zal schuldig bevonden worden door de [d] Raad; maar al wie zegt: Dwaas! die zal schuldig bevonden worden tot [e] het helse vuur.

a) het voorgeslacht – Letterlijk: de ouden; zie ook de verzen 27 en 33.
b) Exodus 20:13; Deuteronomium 5:17
c) Raka is een Aramees woord dat de Evangelist niet in het Grieks heeft vertaald. De Statenvertaling (SV) en Herziene Statenvertaling (HSV) hebben het dan ook in het Aramees laten staan. De betekenis is echter iets als leeghoofd.
d) De Statenvertaling (SV) heeft het hier vertaald met “Groten Raad” en geeft daarbij de omschrijving: “Dit was de hoogste Raad binnen Jeruzalem, Sanhedrin genaamd, bij denwelken stond het oordeel van de zwaarste zaken, en die daarom ook de schuldigen tot de zwaarste straffen verwees.”
e) het helse vuur – Letterlijk: de hel van het vuur.

Mattheüs 5:29-30

29. [a] Als dan uw rechteroog u doet struikelen, ruk het uit en werp het van u weg, want het is beter voor u dat een van uw lichaamsdelen te gronde gaat en niet heel uw lichaam in de hel geworpen wordt.
30. En als uw rechterhand u doet struikelen, hak hem af en werp hem van u weg, want het is beter voor u dat een van uw lichaamsdelen te gronde gaat en niet heel uw lichaam in de hel geworpen wordt.

a) Mattheüs 18:8-9; Markus 9:43

Mattheüs 10:28

[a] En wees niet bevreesd voor hen die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden, maar wees veeleer bevreesd voor Hem Die zowel ziel als lichaam te gronde kan richten in de hel.

a) Jeremia 1:8; Lukas 12:4

Mattheüs 23:33

[a] Slangen, adderengebroed, hoe zou u aan de veroordeling tot de hel ontkomen?

a) Mattheüs 3:7
op indirecte manier
Jezus sprak ook over de hel in andere termen, zoals “verderf”, “vuur/vlammen” en “oordeel/verdoemenis/verloren gaan”.

Mattheüs 7:13-14 · De brede en de smalle weg

13. [a] Ga binnen door de nauwe poort, want wijd is de poort en breed is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor naar binnen gaan;
14. [b] maar de poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden.

a) Lukas 13:24
b) Handelingen 14:22

Mattheüs 7:15-23 · Ik heb u nooit gekend; ga weg van Mij

15. [a] Maar wees op uw hoede voor de valse profeten, die in schapenvacht naar u toe komen maar van binnen roofzuchtige wolven zijn.
16. Aan hun vruchten zult u hen herkennen. Men plukt toch geen druif van doorn­struiken of vijgen van distels?
17. [b] Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort en een slechte boom brengt slechte vruchten voort.
18. Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen.
19. Iedere boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.
20. Zo zult u hen dus aan hun vruchten herkennen.
21. [c] Niet ieder die tegen Mij zegt: Heere, Heere, zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar wie de wil doet van Mijn Vader, Die in de hemelen is.
22. [d] Velen zullen op die dag tegen Mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam demonen uitgedreven, en in Uw Naam veel krachten gedaan?
23. [e] Dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; [f] ga weg van Mij, u die de wetteloosheid werkt!

a) Deuteronomium 13:3; Jeremia 23:16; Mattheüs 24:4; Romeinen 16:17; Efeze 5:6; Kolossenzen 2:8; 1 Johannes 4:1
b) Mattheüs 3:10; 12:33; Markus 11:13; Lukas 8:8
c) Mattheüs 25:11; Lukas 6:46; 13:25; Handelingen 19:13; Romeinen 2:13; Jakobus 1:22
d) Jeremia 14:14; 27:15; Lukas 13:26
e) Psalm 6:9; Mattheüs 25:12; Lukas 13:25,27
f) Mattheüs 25:41; Lukas 13:25,27

Mattheüs 13:36-43 · Vurige oven, gejammer en tandengeknars

36. Toen Jezus de menigte had laten weggaan, ging Hij naar huis. En Zijn discipelen kwamen bij Hem en zeiden: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid op de akker.
37. Hij antwoordde en zei tegen hen: Hij die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen (d.w.z. Jezus zelf).
38. De akker is de wereld, het goede zaad zijn de kinderen van het Koninkrijk en het onkruid zijn de kinderen van de boze.
39. De vijand die het gezaaid heeft, is de duivel; [a] de oogst is de voleinding van de wereld en de maaiers zijn engelen.
40. Zoals dan het onkruid verzameld en met vuur verbrand wordt, zo zal het ook zijn bij de voleinding van deze wereld:
41. de Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk verzamelen alle struikelblokken (SV: ergernissen, d.w.z. de mensen die een ergerlijk leven geleid hebben), en hen die de wetteloosheid (SV: ongerechtigheid) doen,
42. en zij zullen hen in de vurige oven werpen; [b] daar zal gejammer zijn en tandengeknars.
43. [c] Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon, in het Koninkrijk van hun Vader. Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.

a) Joël 3:13; Openbaring 14:15
b) Mattheüs 8:12; 13:50; 22:13; 24:51; 25:30; Lukas 13:28
c) Daniël 12:3; 1 Korinthe 15:42

Mattheüs 18:6-9 · Wee degene die bewust ergernis veroorzaakt

6. [a] Maar wie één van deze kleinen, die in Mij geloven, doet struikelen (SV: iets doet, spreekt of leert waardoor hij een ander tot zondigen of afval beweegt), het zou beter voor hem geweest zijn dat een molensteen aan zijn hals gehangen was en hij in de diepte van de zee gezonken was.
7. Wee de wereld vanwege al haar struikelblokken (SV: ergernissen), [b] want het is noodzakelijk dat er struikelblokken komen; [c] maar wee die mens door wie er zo’n struikelblok (SV: ergernis) komt!
8. [d] Als dan uw hand of uw voet u doet struikelen, hak hem af en werp hem van u. Het is beter voor u kreupel of verminkt tot het leven in te gaan, dan met twee handen of twee voeten in het eeuwige vuur geworpen te worden.
9. Als uw oog u doet struikelen, ruk het uit en werp het van u. Het is beter voor u met één oog tot het leven in te gaan, dan met twee ogen in het helse vuur [e] geworpen te worden.

a) Markus 9:42; Lukas 17:2
b) 1 Korinthe 11:19
c) Mattheüs 26:24; Handelingen 2:23; 4:27,28
d) Deuteronomium 13:6; Mattheüs 5:29,30; Markus 9:43
e) het helse vuur – Letterlijk: de hel van het vuur.

Mattheüs 22:1-14 · Geen interesse of geen eerbied voor God

1. En Jezus antwoordde en sprak opnieuw tot hen door gelijkenissen, en zei:
2. [a] Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zeker koning die voor zijn zoon een bruiloft bereid had,
3. en hij stuurde zijn dienaren eropuit om de genodigden voor de bruiloft te roepen. Maar zij wilden niet komen.
4. Opnieuw stuurde hij dienaren eropuit, andere, en hij zei: Zeg tegen de genodigden: Zie, ik heb mijn middagmaal gereedgemaakt; mijn ossen en de gemeste dieren zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed. Kom naar de bruiloft.
5. Maar zij sloegen er geen acht op en gingen weg, de één naar zijn akker, de ander naar zijn zaken.
6. En de anderen grepen zijn dienaren, behandelden hen smadelijk en doodden hen.
7. Toen de koning dat hoorde, werd hij boos. En hij stuurde zijn legers, bracht die moordenaars om en stak hun stad in brand.
8. Toen zei hij tegen zijn dienaren: De bruiloft is wel bereid, maar de genodigden waren het niet waard.
9. Ga daarom naar de kruispunten van de landwegen en nodig er voor de bruiloft zovelen uit als u er maar zult vinden.
10. En die dienaren gingen naar de wegen, verzamelden allen die zij vonden, zowel slechte als goede mensen; en de bruiloftszaal werd gevuld met gasten. [b]
11. Toen de koning naar binnen was gegaan om de gasten te overzien, zag hij daar iemand die niet gekleed was in bruiloftskleding.
12. En hij zei tegen hem: Vriend, hoe bent u hier binnengekomen terwijl u geen bruiloftskleding aan hebt? En hij zweeg.
13. Toen zei de koning tegen de dienaars: Bind hem aan handen en voeten, neem hem mee en werp hem uit in de buitenste duisternis; [c] daar zal gejammer zijn en tandengeknars.
14. Want [d] velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

a) Lukas 14:16; Openbaring 19:7
b) gasten – Letterlijk: aanliggenden; zie ook vers 11.
c) Mattheüs 8:12; 13:42; 24:51; 25:30; Lukas 13:28
d) Mattheüs 20:16

Mattheüs 25:24-30 · Luiheid; Denken dat God hardvochtig is

24. Maar hij die het ene talent ontvangen had, kwam ook en zei: Heer, ik wist dat u een streng man bent, omdat u maait waar u niet gezaaid hebt, en inzamelt van de plaats waar u niet gestrooid hebt.
25. En ik ben bevreesd weggegaan en heb uw talent verborgen in de grond; zie, hier hebt u het uwe.
26. Maar zijn heer antwoordde en zei tegen hem: Slechte en luie dienaar, u wist dat ik maai waar ik niet gezaaid heb en van de plaats inzamel waar ik niet gestrooid heb.
27. Dan had u mijn geld aan de bankiers moeten geven, en ik zou bij mijn komst het mijne met rente teruggekregen hebben.
28. Neem daarom het talent van hem af en geef het aan hem die de tien talenten heeft.
29. [a] Want ieder die heeft, aan hem zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van hem die niet heeft, van hem zal afgenomen worden ook wat hij heeft.
30. En werp de onnutte dienaar uit in de buitenste duisternis; [b] daar zal gejammer zijn en tandengeknars.

a) Mattheüs 13:12; Markus 4:25; Lukas 8:18; 19:26
b) Mattheüs 8:12; 13:42; 22:13; 24:51; Lukas 13:28

Mattheüs 25:41-46 · Ik ben hongerig geweest en u hebt Mij niet te eten gegeven, …

41. Dan zal Hij ook zeggen tegen hen die aan de linkerhand zijn: [a] Ga weg van Mij, vervloekten, in het [b] eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is.
42. Want Ik ben hongerig geweest en u hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en u hebt Mij niet te drinken gegeven;
43. Ik was een vreemdeling en u hebt Mij niet gastvrij onthaald; naakt, en u hebt Mij niet gekleed; ziek en in de gevangenis, en u hebt Mij niet bezocht.
44. Dan zullen ook die Hem antwoorden: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig of als een vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis, en hebben U niet gediend?
45. Dan zal Hij hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: [c] voor zover u dit voor een van deze geringsten niet gedaan hebt, hebt u het ook niet voor Mij gedaan.
46. [d] En dezen zullen gaan in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.

a) Psalm 6:9; Mattheüs 7:23; Lukas 13:25,27
b) Jesaja 30:33; Openbaring 19:20
c) Spreuken 14:31; 17:5; Zacharias 2:8
d) Daniël 12:2; Johannes 5:29

Markus 12:38-40 · Onechtheid; “Voor de schijn bidden zij lang”

38. [a] En Hij zei tegen hen in Zijn onderricht: Pas op voor de schriftgeleerden, die gesteld zijn op het rondlopen in lange gewaden, op begroetingen op de markten,
39. op de voorste plaatsen in de synagogen en op de ereplaatsen tijdens de maaltijden.
40. [b] Zij verslinden de huizen van de weduwen en voor de schijn bidden zij lang. Dezen zullen een zwaarder oordeel ontvangen.

a) Mattheüs 23:5,6; Lukas 11:43; 20:46
b) Mattheüs 23:14; Lukas 20:47; 2 Timotheüs 3:6; Titus 1:11

Johannes 3:14-21 · “wie niet gelooft, is al veroordeeld” (vers 18)

14. [a] En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, [b] zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden,
15. opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, [c] maar eeuwig leven heeft.
16. [d] Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, [e] opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.
17. [f] Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden.
18. [g] Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet geloofd heeft in de Naam van de eniggeboren Zoon van God.
19. [h] En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht.
20. Want ieder die kwaad doet, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet ontmaskerd worden.
21. [i] Maar wie de waarheid doet, komt tot het licht, opdat van zijn werken openbaar wordt dat ze in God gedaan zijn.

a) Numeri 21:9; 2 Koningen 18:4
b) Johannes 8:28; 12:32
c) Vers 36
d) Romeinen 5:8; 8:31; 1 Johannes 4:9
e) Vers 36; Lukas 19:10; 1 Johannes 5:10
f) Lukas 9:56; Johannes 9:39; 12:47; 1 Johannes 4:14
g) Johannes 5:24; 6:40,47; 20:31
h) Johannes 1:5
i) Efeze 5:8,13

Johannes 3:36 · wie de Zoon ongehoorzaam is …

[a] Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.

a) Vers 16; Johannes 6:47; 1 Johannes 5:10

Johannes 5:19-30 · de opstanding ten leven en de opstanding ter verdoemenis

19. Jezus dan antwoordde en zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: [a] De Zoon kan niets van Zichzelf doen, als Hij dat niet de Vader ziet doen, [b] want al wat Deze doet, dat doet ook de Zoon op dezelfde wijze.
20. Want de Vader heeft de Zoon lief en [c] laat Hem alles zien wat Hij doet, en Hij zal Hem grotere werken laten zien dan deze, opdat u zich verwondert.
21. Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil.
22. Want ook de Vader oordeelt niemand, [d] maar heeft heel het oordeel aan de Zoon gegeven,
23. opdat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren. [e] Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet, Die Hem gezonden heeft.
24. [f] Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie Mijn woord hoort en Hem gelooft Die Mij gezonden heeft, die heeft eeuwig leven en [g] komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven.
25. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: De tijd komt en is nu [h] dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen, en dat wie hem horen, zullen leven.
26. Want zoals de Vader het leven heeft in Zichzelf, zo heeft Hij ook de Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelf;
27. en Hij heeft Hem ook macht gegeven om oordeel te vellen, omdat Hij de Zoon des mensen is.
28. Verwonder u daar niet over, want de tijd komt [i] waarin allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen,
29. [j] en zij zullen er uitgaan: zij die het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, maar zij die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding ter verdoemenis.
30. Ik kan van Mijzelf niets doen. Zoals Ik hoor, oordeel Ik en Mijn oordeel is rechtvaardig, [k] want Ik zoek niet Mijn wil, maar de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft.

a) Vers 30; Johannes 8:38; 9:4
b) Jesaja 54:5; Johannes 10:30; 14:9; 17:5
c) Johannes 1:2; 3:35; 7:16; 8:28; 14:24
d) Mattheüs 11:27; Johannes 3:35
e) Johannes 2:23
f) Johannes 3:18; 6:40,47; 8:51
g) Lukas 23:43
h) Efeze 2:1,5; 1 Tim. 5:6
i) 1 Thessalonicenzen 4:16
j) Daniël 12:2; Mattheüs 25:34,46
k) Johannes 6:38

Johannes 15:1-8 · Buiten geworpen en verbrand worden

1. Ik ben de ware Wijnstok en Mijn Vader is de Wijngaardenier.
2. [a] Elke rank die in Mij geen vrucht draagt, neemt Hij weg; en elke rank die vrucht draagt, reinigt Hij, opdat zij meer vrucht draagt.
3. [b] U bent al rein vanwege het woord dat Ik tot u gesproken heb.
4. Blijf in Mij, en Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet in de wijnstok blijft, zo ook u niet, als u niet in Mij blijft.
5. Ik ben de Wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u niets doen.
6. [c] Als iemand niet in Mij blijft, [d] wordt hij buiten geworpen zoals de rank, en verdort, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.
7. Als u in Mij blijft en Mijn woorden in u blijven, [e] vraag wat u maar wilt en het zal u ten deel vallen.
8. Hierin wordt Mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt en Mijn discipelen bent.

a) Mattheüs 15:13
b) Johannes 13:10
c) Ezechiël 15:2 enz.
d) Mattheüs 3:10; 7:19; Kol. 1:23
e) Jeremia 29:12; Mattheüs 7:7; 21:22; Markus 11:24; Lukas 11:9; Johannes
14:13; 16:24; Jakobus 1:5; 1 Johannes 3:22; 5:14